What he said... nl

Door tiefschwarz op vrijdag 23 september 2011 09:37 - Reacties (9)
Categorie: -, Views: 3.759

"De kwaliteit van het Vodafone-netwerk in Nederland komt onder druk als er meer concurrentie op de telecommarkt komt. Dat zegt Vodafone-ceo Jens Schulte-Bockum." aldus het artikel op tweakers.net. Niet waar, zegt Kees Verhoeven in dat zelfde artikel: "Een voorspelbare reactie en bovendien onjuist. Juist als er meer concurrentie komt, krijgt netwerkkwaliteit een belangrijk onderscheidend vermogen.". Is het werkelijk het zoveelste tranendal van een geldwringende multinational? Of weten Kamerleden eigenlijk wel genoeg van de marktomgeving waar ze over beslissen?

Verhoeven's visie lijkt als vertrekpunt een van de basis gedachten van economische theorie te nemen. Dat vertrekpunt houdt in dat concurrentie leidt tot efficiente bedrijven, waardoor een maximale kwaliteit tegen zo laag mogelijke kosten beschikbaar worden. Wie een betere kwaliteit biedt tegen lagere kosten heeft meer kans te overleven, en zo wordt het kaf van het koren gescheiden. Slecht presterende bedrijven sterven een stille dood, terwijl goed presterende bedrijven overleven, en verder concurreren. Een bewezen principe waar moeilijk aan valt te tornen. Wat Schulte-Bockum zegt lijkt zich daar niet mee te verhouden.

Dat economisch model is een mooi gegeven, maar alles is afhankelijk van het marktecosysteem, de omgeving waarin bedrijven opereren. Als je uitgaat van het bovenstaande model als het 'standaardmodel', dan zijn er een aantal uitzonderingen in het marktomgeving te identificeren deze economische theorie aantasten. Het standaardmodel is niet altijd onverkort van toepassing. Het ecosysteem in telecommunicatieland kent juist een aantal uitzonderingen die heel belangrijk zijn.

Zo is de infrastructuurmarkt, Vodafone's meest cruciale markt, onderhevig aan sunk costs. Sunk costs zijn kosten die worden gemaakt en die niet meer ongedaan te maken zijn. Wanneer je voor een miljard aan infrastructuur in de grond stopt, dan kun je die kabels en apparatuur niet er weer uit halen en aan een ander overdragen, omdat een groot deel van de kosten bestaat uit het plaatsen van de infrastructuur. Dat wil niet zeggen dat wanneer je voor een miljard investeert, die investering meteen niets meer waard is, maar puur en alleen dat je niet terug kunt komen op je investeringsbeslissing, zonder de verliezen voor je rekening te nemen.

Tegelijkertijd is hetzelfde ecosysteem onderhevig aan relatief hoge vaste kosten, en relatief lagere variabele kosten. De kosten van de basisinfrastructuur om er diensten over aan te kunnen bieden is een veelvoud van de kosten voor uitbreidingscapaciteit indien de capaciteit verzadigd is. Dat betekent dat wanneer een aanbieder een klant verliest, dat ook letterlijk een 100% verlies is aan inkomsten. De aanbieder bespaart immers niet op zijn infrastructuur nu deze gebruiker niet meer van zijn infrastructuur gebruik maakt, die ligt er namelijk nog steeds, en is niet (of slecht marginaal) om laag te schalen zodat kosten worden bespaard.

Tegen het licht van deze twee dynamica moeten telecominfrastructuuraanbieders hun investeringsbeslissingen nemen. Return of investment modellen lopen over relatief lange periodes, gezien de hoge investeringen die moeten worden gedaan. Meer concurrentie leidt tot een meer onzeker investeringsklimaat. Dat zorgt voor terughoudendheid bij de spelers op de markt, en kan dus leiden tot desinvestering, en een achteruitgang in de kwaliteit van infrastructuur.

De vraag is niet of een van beide boven geciteerde heren gek is. Vrijwel zeker valt te stellen dat gezien hun staat van dienst die kans vrij nihil is. De vraag die hier werkelijk toe doet is: waar ligt het omslagpunt? Wanneer is er inderdaad voor individuele partijen geen geld meer te verdienen in de Nederlandse infrastructuurmarkt? In het verleden hadden we inderdaad vijf aanbieders van radiotoegang. Twee daarvan hebben zich laten uitkopen. Dat is niet iets wat je als bedrijf voor de lol doet. Wanneer er goed rendement te behalen valt zul je zelfstandig blijven opereren. Aandeelhouders zouden gek zijn hun winstgevende deelnemingen te verkopen.

Een ding is zeker: concurrentie is niet het panacea voor een gezonde infrastructuurmarkt, maar maakt onderdeel uit van een pakket aan dynamica die het aanbod op peil houden. Waar het om gaat is het creŽren van een goed investeringsklimaat om de kwaliteit van netwerken te waarborgen, en tegelijkertijd goede regulering om te zorgen dat de aangeboden diensten ook een competatief karakter hebben: goede kwaliteit tegen een goede prijs. Tegelijkertijd is hier het sleutelwoord. Hoewel alles wat de Tweede Kamer doet er op gericht is dat laatste te realiseren, een nobel streven, is het maar de vraag of dat eerste nog in stand blijft. Drie? Vier? Vijf infrastructuuraanbieders? Hoeveel geld is er terug te verdienen? De tijd zal het leren...

(geschreven op persoonlijke titel)

Nederneutraliteit

By tiefschwarz on Sunday 12 June 2011 15:57 - Comments (5)
Category: -, Views: 3.050

De laatste weken is er geen ontkomen aan: netneutraliteit staat met onverdeelde aandacht op de agenda. Ooit was het voorbehouden aan de krochten van de ambtelijke beleidsapparaten, aan de nerds en geeks (guilty as charged) die rechtgeaard rebels als ware vrijheidsstrijders ten strijde trokken, aan de grote ondernemingen die oprecht zeker wisten hoe het allemaal beter kon, voor alle betrokkenen.

Hoe anders is het nu. Werd men voorheen nog met een glazig blik nagestaard als je het woord netneutraliteit in de mond nam, zo vurig is diezelfde blik tegenwoordig. Iedereen heeft een mening, iedereen laat hem ook duidelijk spreken. Gelukkig. Beter nog: eindelijk.

Oorsprong
Het begrip netneutraliteit is een afgeleide van het heersende principe van IP-gebaseerde netwerken. In hun puurste vorm zijn er twee dynamica die van belang zijn: end-to-end en best effort. Terminologie in het netneutraliteit debat is dodelijk, en hoewel ik een prima begrip heb van deze twee termen laat ik het aan anderen over om ze beter uit te leggen dan ik dat kan. Dat is ook niet per se nodig voor het vervolg van deze reflectie.

Het resultaat van de toepassing van deze twee begrippen is dat de eindpunten van het netwerk de controle hebben over de belangrijkste functionaliteit van het netwerk, en dat verkeersstromen gelijk behandeld worden. Hierdoor is er een omgeving ontstaan waarin vrij en open geÔnnoveerd kan worden op IP-gebaseerde netwerken. Met het ontstaan van het Internet, het netwerk van netwerken, is deze innovatie geŽxplodeerd.

Tegelijkertijd is het woord 'neutraliteit' een beetje verwarrend. Daarmee wordt vaak gedoeld op de gelijke behandeling van verkeersstromen. Dat impliceert 'eerlijkheid' en 'non-discriminatie'. In principe is dat prima, maar zijn verkeersstromen wel inherent gelijk? Verkeersstromen van sommige applicaties zijn heel tijdskritiek, andere juist niet. Als je daar onderscheid tussen zou maken, en de juiste prioriteit zou kunnen geven, zou je de gebruikservaring van de ene applicatie kunnen verbeteren zonder de andere daarbij te benadelen. Dat is een betere verdeling van het schaarse goed, 'bread and butter' voor economen.

Complexiteit
Daarmee is ook de complexiteit en de omvang van het vraagstuk een beetje gegeven. Er spelen genuanceerde technische vraagstukken. Tegelijkertijd hebben de oplossingen op technisch niveau enorme economische consequenties. De Europese markt voor telecommunicatie is van duizelingwekkende omvang. De omvang van de totale economie die afhankelijk is van een goed functioneren van de telecommunicatiemarkt is nog vele malen groter.

De belangen zijn enorm, de technische en economische vraagstukken zijn ingewikkeld en tegelijkertijd moeten belangrijke normen en waarden in wetgeving worden vastgelegd. Ook deze aanpak, de vormgeving van wetten, kent een hele specifieke juridische problematiek. Het schrijven van wetten die op de juiste manier doen wat ze beogen te bereiken, en die tegelijkertijd toekomstvast zijn in een met razend tempo innoverende markt, is een uitdaging op zichzelf.

Naast de drie verschillende disciplines (economie, technologie en recht) zijn er twee verschillende, maar aan elkaar verbonden markten. Enerzijds is er de markt voor internettoegang, anderzijds de informatiemarkt (de markt voor content en applicaties die met behulp van deze toegang verspreid worden). Beide markten kennen hun eigen specifieke economische dynamica en problematiek. Soms lopen deze mooi parallel en zijn ze met eenvoudige middelen op te lossen, maar vaak staan ze ook haaks op elkaar.

Creative Destruction
Even een uitstapje naar een economische dynamiek. De meesten van u zijn ongetwijfeld bekend met Western Union, tegenwoordig vooral bekend als financiŽle dienstverlener. Ooit was Western Union het grootste en rijkste bedrijf ter wereld. Het onderhield en exploiteerde als monopolist een netwerk voor telegrafie aan het einde van de 19e eeuw. Toentertijd de meest innovatieve manier van communiceren.

Van de rijkdom en het potentieel van het bedrijf is in vergelijking met de hoogtijdagen niets meer over. Wat deed het bedrijf verkeerd? Een hele boel, en tegelijkertijd niet zo heel veel. Het had, toen het de kans daarvoor kreeg, de octrooien voor telefonie moeten kopen van Alexander Graham Bell, maar liet dat om bepaalde redenen na. Goed, dat is een ander verhaal. Wat er werkelijk gebeurde met Western Union is meer een zaak van 'overkomen' dan verkeerd doen.

Wat het bedrijf overkwam is hetgeen wat later door de econoom Schumpeter werd geÔdentificeerd als creative destruction: een innovatie die zo hard kannibaliseert aan bestaande technologie dat de laatstgenoemde zo goed als vernietigd wordt. Meer concreet, de telefoon werd uitgevonden en de telegraaf, en daarmee het businessmodel van Western Union, stierf een langzame dood. De historie van de ontwikkeling van communicatie netwerken is vol van zulk soort anekdotes. Tim Wu schreef er een boek over (The Master Switch), voor geÔnteresseerden een absolute aanrader.

Creative destruction wordt algemeen gezien als een vooruitgang voor de sociale welvaart. Aan de andere kant is er wel altijd een 'slachtoffer' van deze ontwikkeling, dat zijn business model moet beschermen, of andere manieren van inkomsten moet aanwenden: zwemmen, of verzuipen.

Ik laat het aan de lezer om zelf soortgelijke ontwikkelingen in de huidige markt te signaleren.

Netwerkeffect
Vaak wordt gesteld dat voldoende concurrentie en de mogelijkheid tot overstappen er voor zorgt dat er een aanbod blijft bestaan waar vraag naar is. Immers, er is altijd wel een aanbieder die de ruimte zal benutten die een andere aanbieder open laat. Concurrentie zorgt inderdaad vaak voor beter aanbod, maar lost niet alles gevaren op.

Veel applicaties in netwerken zijn afhankelijk van het aantal deelnemers dat actief zijn op deze applicatie. Sociale netwerken zijn een sprekend voorbeeld. De waarde van de applicatie neemt toe naar mate er meer voor mij relevante deelnemers zijn in dat netwerk, met een potentieel maximum van alle voor mij relevante deelnemers. Het omgekeerde is ook waar. Neemt het aantal relevante deelnemers af, dan daalt de waarde van de applicatie. De waarde kan uiteindelijk onder een drempel komen dat ik het niet langer interessant vind om deel te nemen. Daarin schuilt een potentieel gevaar.

Neem als voorbeeld WhatsApp. Deze applicatie is hoofdzakelijk afhankelijk van gebruikers die toegang hebben tot deze applicatie via een mobiele aansluiting. Neem aan dat de markt voor mobiele internet toegang is verdeeld tussen drie bedrijven, waarvan bedrijf [X] 50% marktaandeel heeft, en de twee anderen [Y] en [Z] ieder 25%, gebruikers van WhatsApp zijn naar rato van dit aandeel verdeeld. Bedrijf [X] blokkeert de toegang tot WhatsApp. Dat heeft gevolgen voor de gebruikers van [X]. Omdat ze geen toegang meer hebben tot de applicatie is de waarde voor hun gereduceerd tot niets.

Maar niet alleen de gebruikers van [X] ondervinden hinder. Ook de gebruikers van [Y] en [Z] zien de waarde van de applicatie afnemen, zij kunnen immers de helft van hun relevante deelnemers, die bij [X] zitten, niet meer bereiken. Dankzij het blokkeren van de toegang door een partij met voldoende relevante aanwezigheid in de markt neemt de waarde van de applicatie met drie kwart af. Komt de waarde daarmee onder een bepaalde drempel, dan zullen gebruikers er in het geheel van afzien.

Wat dit in theorie aantoont is dat je met een relevante marktmacht in de infrastructuurmarkt, eventueel verdeeld over meerdere partijen, behoorlijke schade kunt toebrengen aan de informatiemarkt. Barbara van Schewick heeft hierover een belangrijk artikel (Towards an Economic Framework for Network Neutrality Regulation) over geschreven.

De realiteit van de infrastructuur
De vorige twee ideeŽn zijn belangrijk als er wordt beredeneerd waarom het belangrijk is bepaalde applicaties te beschermen. Van de andere kant is er de realiteit van de infrastructuur. En die realiteit is dat infrastructuur geld kost, heel vťťl geld zelfs, en dat dit geld hoe dan ook moet binnenvloeien. Applicaties blijven hoe dan ook voor hun functioneren afhankelijk van een gezonde infrastructuur.

Het is niet verwonderlijk dat aanbieders hard op zoek zijn naar andere verdienmodellen. Immers, hun belangrijkste toepassingen (bellen en smssen) worden langzaam maar zeker weg gekannibaliseerd door concurrerende diensten, en een flat-fee abonnement van 10 euro lijkt geen duurzaam verdienmodel meer. Het totaal blokkeren van deze concurrerende diensten is een oplossing, maar daar is weinig maatschappelijk draagvlak voor. Het stokt immers innovatie op applicatieniveau.

Een andere manier is de aanbieder van de informatiedienst te laten betalen, of de eindgebruiker voor bepaald gebruik te tariferen. Of dat een oplossing is die de sociale welvaart bevordert is afhankelijk van de uitvoering daarvan. Het nadeel van flat-fee is eigenlijk dat het een one-size fits no one model is. Bijna niemand betaald precies voor wat hij of zij verbruikt. Wanneer applicaties tegen betaalbare prijzen beschikbaar zijn kan dit de sociale welvaar bevorderen, en wordt het schaarse goed (bandbreedte) efficiŽnter verdeeld.

Maar ook hier schuilt een gevaar. Als de tarifering onevenredig hoog zou zijn geweest dan is de toegang tot de applicatie alsnog de facto geblokkeerd; niet door technische maatregelen, maar doordat niemand zich een dergelijk bedrag kan veroorloven.

Providers in Nederland hadden plannen voor tariferen, maar die blijven vooralsnog onbekend. Het is dan ook niet mogelijk deze plannen op hun wenselijkheid te beoordelen. Op zichzelf is dat misschien wel jammer. Waar ging het nou echt over?

Europese aanpak
De Europese Commissie is vrij stevig in haar missie ten aanzien van de open toegang tot informatie op het Internet: ‘The Commission attaches high importance to preserving the open and neutral character of the Internet, taking full account of the will of the co-legislators now to enshrine net neutrality as a policy objective and regulatory principle to be promoted by national regulatory authorities, alongside the strengthening of related transparency requirements and the creation of safeguard powers for national regulatory authorities to prevent the degradation of services and the hindering or slowing down of traffic over public networks.' (2009/C 308/02)

In 2009 is er een richtlijn (2009/136/EC) aangenomen in Europa die vijf richtlijnen wijzigt. De belangrijkste wijzigingen zitten in de Universele Diensten richtlijn. Het is de bedoeling dat aanbieders ruimte om tegen aantrekkelijke prijzen innovatieve diensten te ontwikkelen. Enerzijds verstevigt Europa de plicht voor transparantie: aanbieders moeten duidelijk zijn hoe ze verkeersstromen behandelen. Tegelijkertijd creŽert de richtlijn ruimte voor waarborgen waardoor autoriteiten minimum kwaliteitseisen kunnen opstellen, indien zij iets mis achten met de aanpak van de aanbieders.

Europa kiest er dus voor om aanbieders de kans te geven iets goeds te doen met de ruimte die ze krijgen. Als die ruimte 'misbruikt' wordt, dan kan er alsnog ingegrepen worden. Gesteund door voldoende concurrentie en overstap mogelijkheden, en met de noodzaak van gezonde, duurzame verdienmodellen voor infrastructuur in gedachte, is dit een goed denkbaar standpunt.

Nederland
In Nederland, en de meeste andere landen van de Europese Unie, moeten richtlijnen omgezet worden in nationale wetgeving. De wetgeving voor netneutraliteit komt in de Telecommunicatiewet terecht. Transparantie stond er al in, maar wordt nu uitgebreid, de mogelijkheid om minimum kwaliteitseisen te regelen in lagere wetgeving is nieuw.

Aan de vooravond van de behandeling in de Tweede Kamer gebeurt er iets. Aanbieders geven aan bepaalde diensten te willen tariferen. Dit valt niet goed bij de Tweede Kamer, die vreest voor een al te frivole toepassing van de geboden ruimte door de aanbieders. Daarbij voorzien de aanbieders dat de beschermende maatregelen nog niet voldoende geregeld zijn. Als aanbieders willen differentiŽren, dan kunnen ze dat doen op bandbreedte en datacaps, dat moet voldoende zijn.

Een motie en twee amendementen later vindt volgende week dinsdag na de stemming hoogstwaarschijnlijk netneutraliteit zijn weg in het wetsontwerp van de Telecommunicatiewet. De kamer kiest hier voor een stevige bescherming van de informatiemarkt. Daar zijn, zoals hierboven aangegeven, zeker redenen voor te bedenken.

Prematuur
Deze week werd Eurocommissaris Kroes geciteerd door de media: 'wetgeving netneutraliteit lijkt prematuur'. De duivel zit in de details hier. Kroes vindt de wetgeving niet prematuur, het lijkt er op. Dat is een belangrijk voorbehoud. BEREC, het Europees verband van telecommunicatie autoriteiten, is druk bezig met onderzoeken en gaat daarnaast dit jaar nog advies geven over de toepassing van de nieuwe Europese wetgeving. Ondertussen heeft Nederland zijn keuze al gemaakt, omdat het zich geconfronteerd zag met de realiteit van de dag in de vorm van de plannen van de aanbieders.

Tegelijkertijd gaat Kroes Nederland niets in de weg leggen om op de gekozen manier een oplossing te verwerken in de Telecommunicatiewet. Dat had misschien gekund door middel van een infractieprocedure, maar kennelijk neemt men dat in Brussel niet in overweging. Dat Nederland deze ruimte krijgt geeft ook weer aan hoe genuanceerd het debat rond netneutraliteit is, en toegepast kan worden.

Tot op zekere hoogte kan het ook een soort testcase zijn. Er geen empirisch bewijs dat of netneutraliteit of netdiversiteit beter is voor de sociale welvaart dan de andere. Dat gaan we zoals het er nu naar uit ziet ontdekken. Immers, we krijgen nu een markt waarin neutraliteit de norm is, terwijl andere markten voor de omgekeerde aanpak kiezen.

Tot slot
Beste lezers, had u een keiharde opinie verwacht, dan stel ik u teleur. Daarvoor mijn excuses. Maar dergelijke conclusies zijn ook niet aan de orde. Er is geen empirisch bewijs, en de toekomstige ontwikkelingen onder een regime van diversiteit of neutraliteit zijn moeilijk van te voren in te schatten. Het is geen kwestie van 'wie heeft er gelijk'. Hooguit kunnen we over een aantal jaren vast stellen wie er gelijk had.

Ik heb u bij het schrijven van dit stuk echter niet onderschat. U bent prima in staat uw eigen voorlopige conclusie te trekken, en dat is voor de huidige stand van zaken van het debat veel waardevoller. Vergist u niet, de wetgevingsinspanningen van de Europese en Nederlandse wetgever zijn niet het einde van dit verhaal. Het leukste werk begint nu pas…

(disclaimer: geschreven op persoonlijke titel. dit is enkel een reflectie van persoonlijke opvattingen in de privť sfeer)

Pindakaas... nl

Door tiefschwarz op donderdag 25 november 2010 15:00 - Reacties (7)
Categorie: -, Views: 3.487

Ik kijk zelden TV... Nou ja, meer specifiek, ik kijk zelden TV op de TV. Als ik iets wil zien, dan vind het meestal zijn weg naar het beeldscherm van mijn PC via mijn ethernetkabel. Ik zie daarom eigenlijk zelden reclame, maar die ene van Calvť is toch wel erg mooi... "Gij ken echt nie voetballe Pieterke"

Prachtig om te zien hoe Unilever op een eigentijdse manier invulling geeft aan het oude sentiment van de reclame met de jonge Evert van Benthem (...en schaatser!). Dat vind ik mooi vanuit het perspectief van mijn opleiding marketing die ik op een blauwe maandag heb afgerond, maar ook vanuit het verlengde van mijn laatsgenoten opleiding Law & Technology waarbij ik veel met intellectueel eigendom in aanraking ben gekomen.

Beetje vreemde verzameling is dat, het intellectueel eigendom. Want voor een verzameling rechten hebben ze inhoudelijk niet eens zo heel veel overeenkomsten. De voornamelijkste gemene deler is dat ze 'iets' beschermen wat eenvoudigweg niet anders te beschermen is. Vaak gaat het om informatie, iets dat eindeloos deelbaar is zonder verlies van kwaliteit en iets wat ook niet uit te sluiten is. Kom jij iets te weten waar ik jarenlang hard voor heb gewerkt om die kennis beschikbaar te maken, dan kan ik jou die kennis nooit meer ontnemen. Deelbaarheid is voornamelijk relevant bij auteursrechten. Uitsluiting is belangrijk voor octrooien. Maar ook het vastleggen van een herkennende factor, een woord- en/of beeldmerk, een kleur, een geluid, een vorm, is belangrijk voor een bedrijf dat zorgvuldig jarenlang een merk heeft opgebouwd, zodat niet langer iedereen er zomaar gebruik van kan maken.

Er zijn wat gemene delers, maar de afzonderlijke rechten voor octrooien, auteursrechten en merken zijn toch echt inhoudelijk erg verschillend. Je kunt ze dan ook als je in de branche werkt onmogelijk door elkaar halen. Sterker nog, deze basale kennis over Intellectueel Eigendom kun je in een kwartiertje opdoen. Gaat nooit mis...

Mijn verbazing was dan ook enorm toen ik op nu.nl een artikel las over het verkrijgen van een patent (octrooi) op het woord 'Face' door Facebook. Interessant juridisch materiaal, want het verkrijgen van een recht op een algemeen woord als 'gezicht' is niet onomstreden. Maar wacht even... een patent? Jammer van het woordgebruik, octrooi is de klassieke aanduiding en geniet de voorkeur, maar vooral jammer omdat het nergens op slaat.

Een octrooi dient kort (en onvolledig) gezegd ter bescherming van een uitvinding. Om een woord te registreren vraag je een merkrecht aan. Omdat beide rechten geregistreerd dienen te worden is daar in Amerika een instantie voor: het United States Patent and Trademark Office (USPTO). Nu is deze organisatie regelmatig het leidend voorwerp van al dan niet terechte kritiek op haar werkzaamheden, maar het is toch echt niet zo bizar slecht gesteld dat ze een patent gaan verlenen voor een woord.

Nee, het is toch echt een kapitale blunder van de dienend journalist. Het staat ongeveer gelijk aan het berichten dat Lays zijn chips gaat bakken op 32nm; dat Mark Rutte het prima naar zijn zin heeft als het nieuwe staatshoofd van Noord-Korea... Jammer Pietertje!

Ter lering en vermaak het hele artikel:
Facebook krijgt rechten voor gebruik 'face'

Uitgegeven: 24 november 2010 16:35
Laatst gewijzigd: 24 november 2010 16:55

AMSTERDAM – Facebook is een stap dichterbij het verkrijgen van de rechten voor het gebruik van het woord ‘Face’. Het Amerikaanse Patent Office heeft een bericht hierover naar de netwerksite verstuurd.

Dat schrijven verschillende Amerikaanse media.
Facebook heeft nu drie maanden de tijd om te reageren op de brief van het Patent Office en moet ook binnen die termijn de vergoeding betalen die gepaard gaat met het verkrijgen van het patent.

Concurrentie
Het lijkt vreemd om de rechten voor een woord dat zo breed gebruikt wordt in Engelstalige landen toe te schrijven aan een bedrijf. Het patent is echter alleen bedoeld om duidelijk te maken dat dat de term toegeschreven is aan Facebook zodat andere bedrijven niet met een soortgelijke naam op de markt kunnen komen.
In dit specifieke geval zijn de rechten van toepassing op het gebruik van het woord ‘face’ door online en sociale netwerken. Het moet dus gaan om concurrenten van Facebook.

Lamebook.com
De netwerksite is momenteel bezig met de aanpak van website Lamebook.com, een website die grappige statussen van gebruikers van sociale netwerken verzamelt.
© NU.nl

Network Neutrality and the Internet Infrastructure Resource Commons nl

Door tiefschwarz op zondag 13 juni 2010 13:37 - Reacties (3)
Categorie: Law & Technology / TILT, Views: 2.636

De afgelopen maanden van mijn leven stonden in het teken van een ding; mijn master Law en Technology afronden. Het kiezen van een onderwerp voor mijn Master Thesis was al een hele opgave omdat mijn interesse eigenlijk net zo breed is als het aangeboden curriculum--iets wat mij al eerder dwong tot het volgen van extra vakken. Vele onderwerpen passeerden de revu, maar slechts een sprong er daadwerkelijk met kop en schouders bovenuit: netwerk neutraliteit. Een actueel en belangrijk onderwerp met een brede maatschappelijk fundament en enorme belangen voor de betrokken partijen.

Het is onmogelijk om in een scriptie van 16.000 woorden de discussie volledig uit te werken. Daar is het een veel te uitgebreid en complex probleem voor. Ik heb daarom mijn focus gelegd op een onderontwikkeld onderdeel van het debat. Netwerk neutraliteit wordt vaak bekeken vanuit puur commerciŽle en economische overwegingen. Vooral Christopher Yoo1 (overwegend voor diversiteit) en Barbara van Schewick2 (overwegend voor neutraliteit) schrijven hier heel verhelderende artikelen over. Maar die eenzijdige aandacht voor commerciŽle aspecten is niet helemaal terecht om twee redenen: netwerken kennen hun specifieke economische parameters die dwingen tot een bredere blik, en het Internet is een resource commons, een bron voor verdere ontwikkeling in externaliteiten.

Brett Frischmann was de eerste die dat helder en duidelijk verwoordde in een van zijn artikelen3. En van daaruit ben ik op zoek gegaan naar het antwoord op de vraag of het Internet in Europa voldoende ruimte krijgt om zich te ontwikkelen als een dergelijke commons en de sociale en publieke waarde voldoende ruimte krijgt om benut te worden, of dat het beleid teveel gericht is op de commerciŽle waarde van het netwerk.

De discussie over netwerk neutraliteit is soms moeilijk te volgen. Aanhangers van neutraliteit en aanhangers van diversiteit polariseren vaak de essentie van het debat, en doen overdreven sterke uitspraken die niet altijd in de realiteit genesteld zijn. Dat is een grote uitdaging wanneer het doel is om een academisch verantwoord stuk te schrijven. Desalniettemin is het aanbod van literatuur vrij groot, en het tempo waarmee ontwikkelingen zich opvolgen is moordend; een mooie uitdaging!

Na 3 maanden hard ploeteren is het nu zo ver: ik neem afscheid van mijn thesis, en spring met beide benen in een groot zwart gat. Maar niet voordat ik hem met de wereld gedeeld heb via het Internet, want dat is in ultimo de essentie van het standpunt dat ik in mijn thesis verdedigd heb.

Network Neutrality and the Internet Infrastructure Resource Commons

1 CS Yoo, 'Beyond Network Neutrality' Vanderbilt Law and Economics Research Paper No. 05-16; Vanderbilt Public Law Research Paper No. 05-20 at pages 8, 15-18 available at SSRN http://ssrn.com/paper=742404
2 Bv Schewick, 'Towards an Economic Framework for Network Neutrality Regulation' (2007) 5 Journal on Telecommunications and High Technology Law 329
3 BM Frischmann, 'An Economic Theory of Infrastructure and Commons Management' (2005) 89 Minnesota Law Review 917

Testing a thesis

By tiefschwarz on Wednesday 12 May 2010 14:35 - Comments (8)
Category: Law & Technology / TILT, Views: 3.558

Klein onderdeel van mijn thesis over netwerk neutraliteit. Dit gedeelte is een abstract juridisch betoog waarom netwerk neutraliteit noodzakelijk is voor het waarborgen van toegang tot de toegevoegde waarde die het internet brengt aan degenen die daaraan hun bijdrage leveren. Input is gewenst, expertise niet noodzakelijk; het is immers een maatschappelijke kwestie.

The creation of an enormous construct as the Internet inevitably is paired with the division of labour to ensure that, as David Hume describes it, any considerable work can be achieved:

“When every individual person labours a-part, and only for himself, his force is too small to execute any considerable work; his labour being employ’d in supplying all his different necessities, he never attains a perfection in any particular art; and as his force and success are not at all times equal, the least failure in either of these particulars must be attended with inevitable ruin and misery. Society provides a remedy for these three inconveniences. By the conjunction of forces, our power is augmented: By the partition of employments, our ability encreases: And by mutual succour we are less expos’d to fortune and accidents. ’Tis by this additional force, ability, and security, that society becomes advantageous.”

The Internet is especially susceptible to the division of labour, and that division is exceptionally effective, both because of its fundamental design choices and the nature of its being. What is less obvious is the division of the benefits that are reaped from the Internet and there is a problem analogous to the dynamic described by Karl Marx in his assertion of the ownership of the means of production.

It is not the intrinsic value of the end points, the architecture or the information that is most important. By themselves, these components are relatively limited in their usefulness. It is the large additional value that is created by a synergy between these components that really matters. Connecting billions of people, enterprises and entities with one another over the Internet is of great value to a society that relies heavily on the consumption of information, and it creates a value larger than the sum of the individual components. Translated into the vast virtual landscape, this additional value or synergetic value is an intangible common that is to be explored, enriched and enjoyed by all who participate.

Most participants however are unaware or oblivious to the notion that this area is in fact a walled garden, surrounded by an invisible fence created by gatekeepers at the front entrances to the network that own the physical infrastructure; the crucial part of the production means in terms of control. In absence of an overall governing body or scheme controlling their moves, these gatekeepers potentially have absolute control over access to the Internet. They are the network providers, and the effect of their control increases the closer they are to the end points since they have a more absolute control over what passes through the gate from which side, and what not.

Although the network providers cannot take physical ownership over the synergetic value of the Internet, the ability to exclude lies only with them. As the key factor in ownership, this excludability leads to some kind of pseudo-ownership. At the same time there is no valid reason for such entitlement since the achievement of the synergetic value is only partially due to the efforts of these gatekeepers, yet they may very well be able to decide how that benefit that is enjoyed through access, by whom, and to what extent.

But surrendering control to them would not only be unjust, it gives undue leverage to those maintaining the gates, and enables them to put up tollbooths along the digital highway. That strategy is bound for success when the point of no return has been reached for those providing content and services and who have implemented the Internet into their operations. Given the specific economic parameters like network economic effects and high entry barriers the threshold for that point of no return is relatively low.

However, deriving income from the pseudo-ownership of the synergetic value of the Internet by holding access to that benefit hostage against a ransom is an abuse of the position assumed through the division of labour by the network providers. Providers should instead seek to get compensated for their contribution through the offering of their primary good. While they are in fact partially responsible for the synergetic value that comes forth from the creation of the Internet, the reward for that is returned in a higher value of that primary good, making their offering more valuable to end users.