What he said... nl

Door tiefschwarz op vrijdag 23 september 2011 09:37 - Reacties (9)
Categorie: -, Views: 3.748

"De kwaliteit van het Vodafone-netwerk in Nederland komt onder druk als er meer concurrentie op de telecommarkt komt. Dat zegt Vodafone-ceo Jens Schulte-Bockum." aldus het artikel op tweakers.net. Niet waar, zegt Kees Verhoeven in dat zelfde artikel: "Een voorspelbare reactie en bovendien onjuist. Juist als er meer concurrentie komt, krijgt netwerkkwaliteit een belangrijk onderscheidend vermogen.". Is het werkelijk het zoveelste tranendal van een geldwringende multinational? Of weten Kamerleden eigenlijk wel genoeg van de marktomgeving waar ze over beslissen?

Verhoeven's visie lijkt als vertrekpunt een van de basis gedachten van economische theorie te nemen. Dat vertrekpunt houdt in dat concurrentie leidt tot efficiente bedrijven, waardoor een maximale kwaliteit tegen zo laag mogelijke kosten beschikbaar worden. Wie een betere kwaliteit biedt tegen lagere kosten heeft meer kans te overleven, en zo wordt het kaf van het koren gescheiden. Slecht presterende bedrijven sterven een stille dood, terwijl goed presterende bedrijven overleven, en verder concurreren. Een bewezen principe waar moeilijk aan valt te tornen. Wat Schulte-Bockum zegt lijkt zich daar niet mee te verhouden.

Dat economisch model is een mooi gegeven, maar alles is afhankelijk van het marktecosysteem, de omgeving waarin bedrijven opereren. Als je uitgaat van het bovenstaande model als het 'standaardmodel', dan zijn er een aantal uitzonderingen in het marktomgeving te identificeren deze economische theorie aantasten. Het standaardmodel is niet altijd onverkort van toepassing. Het ecosysteem in telecommunicatieland kent juist een aantal uitzonderingen die heel belangrijk zijn.

Zo is de infrastructuurmarkt, Vodafone's meest cruciale markt, onderhevig aan sunk costs. Sunk costs zijn kosten die worden gemaakt en die niet meer ongedaan te maken zijn. Wanneer je voor een miljard aan infrastructuur in de grond stopt, dan kun je die kabels en apparatuur niet er weer uit halen en aan een ander overdragen, omdat een groot deel van de kosten bestaat uit het plaatsen van de infrastructuur. Dat wil niet zeggen dat wanneer je voor een miljard investeert, die investering meteen niets meer waard is, maar puur en alleen dat je niet terug kunt komen op je investeringsbeslissing, zonder de verliezen voor je rekening te nemen.

Tegelijkertijd is hetzelfde ecosysteem onderhevig aan relatief hoge vaste kosten, en relatief lagere variabele kosten. De kosten van de basisinfrastructuur om er diensten over aan te kunnen bieden is een veelvoud van de kosten voor uitbreidingscapaciteit indien de capaciteit verzadigd is. Dat betekent dat wanneer een aanbieder een klant verliest, dat ook letterlijk een 100% verlies is aan inkomsten. De aanbieder bespaart immers niet op zijn infrastructuur nu deze gebruiker niet meer van zijn infrastructuur gebruik maakt, die ligt er namelijk nog steeds, en is niet (of slecht marginaal) om laag te schalen zodat kosten worden bespaard.

Tegen het licht van deze twee dynamica moeten telecominfrastructuuraanbieders hun investeringsbeslissingen nemen. Return of investment modellen lopen over relatief lange periodes, gezien de hoge investeringen die moeten worden gedaan. Meer concurrentie leidt tot een meer onzeker investeringsklimaat. Dat zorgt voor terughoudendheid bij de spelers op de markt, en kan dus leiden tot desinvestering, en een achteruitgang in de kwaliteit van infrastructuur.

De vraag is niet of een van beide boven geciteerde heren gek is. Vrijwel zeker valt te stellen dat gezien hun staat van dienst die kans vrij nihil is. De vraag die hier werkelijk toe doet is: waar ligt het omslagpunt? Wanneer is er inderdaad voor individuele partijen geen geld meer te verdienen in de Nederlandse infrastructuurmarkt? In het verleden hadden we inderdaad vijf aanbieders van radiotoegang. Twee daarvan hebben zich laten uitkopen. Dat is niet iets wat je als bedrijf voor de lol doet. Wanneer er goed rendement te behalen valt zul je zelfstandig blijven opereren. Aandeelhouders zouden gek zijn hun winstgevende deelnemingen te verkopen.

Een ding is zeker: concurrentie is niet het panacea voor een gezonde infrastructuurmarkt, maar maakt onderdeel uit van een pakket aan dynamica die het aanbod op peil houden. Waar het om gaat is het creŽren van een goed investeringsklimaat om de kwaliteit van netwerken te waarborgen, en tegelijkertijd goede regulering om te zorgen dat de aangeboden diensten ook een competatief karakter hebben: goede kwaliteit tegen een goede prijs. Tegelijkertijd is hier het sleutelwoord. Hoewel alles wat de Tweede Kamer doet er op gericht is dat laatste te realiseren, een nobel streven, is het maar de vraag of dat eerste nog in stand blijft. Drie? Vier? Vijf infrastructuuraanbieders? Hoeveel geld is er terug te verdienen? De tijd zal het leren...

(geschreven op persoonlijke titel)